Phanuel  Phanuel  Phanuel  Phanuel  Phanuel Phanuel Phanuel 

Phanuel


De vreemdeling

 

DUISTERNIS lag weer over de aarde. Zegevierend overschaduwde het de mensen en versperde de weg naar het oergeestelijke rijk. Het Licht van God was van hen geweken. Het lichaam dat daar als aards omhulsel voor had gediend hing bloedend en verminkt aan het kruis, als slachtoffer van het protest van hen aan wie het geluk en heilige vrede wilde brengen.

Op het hoogste punt van de gehele schepping, in de stralende nabijheid van God, staat de Graalsburcht als tempel van het Licht. Hierin heerste grote droefheid over de verdwaalde mensengeesten in de diepte, die zich in hun blinde inbeelding het beter te weten vijandig voor de Waarheid afsloten en zich door het van haat bezeten duister zelfs tot de misdaad aan de Godszoon lieten opzwepen. Zwaar daalde de door de mensheid op deze wijze veroorzaakte vloek op de gehele wereld neer en perste deze binnen een nog grotere begripsvernauwing.

Met ernstige verwondering zag een jongeling vanuit de Graalsburcht het ontzettende gebeuren... de toekomstige Mensenzoon. Hij bevond zich op dat ogenblik reeds in zijn leertijd, die duizenden jaren vergde; want goed toegerust moest hij naar omlaag, naar die diep gelegen gebieden waar het duister door het willen van de mensen heerste.

Toen werd zacht een vrouwenhand op de schouder van de dromende gelegd. De Koningin van al het vrouwelijke stond naast hem en sprak vol liefde en droefheid: 'Laat het gebeuren op u inwerken, mijn zoon. Zo is het strijdperk waar gij in het uur der vervulling doorheen zult moeten gaan, want op de bede van de vermoorde Heiland staat God de Vader toe, dat gij vóór het Gericht de afvalligen nog éénmaal zijn Woord verkondigt, om diegenen te redden, die nog daarnaar willen luisteren!"

Zwijgend boog de jongeling zijn hoofd en hij bad innig om kracht, daar hij door de weerklank die deze zo grote Liefde van God in zijn eigen innerlijk vond, diep werd bewogen!

Snel verbreidde zich de mare van de laatste, nogmaals geschonken mogelijkheid van genade door alle sferen, en vele zielen smeekten God hun toe te staan mee te mogen helpen aan het grote werk van de verlossing van al diegenen, die de weg naar God nog willen vinden. De Liefde van God de Vader stond dit menige ziel toe, voor wie het een hulp was bij het omhoogstijgen. Vol dankbaarheid en vreugde legde de schare der aldus begenadigden jubelend een gelofte af om de hun toegestane mogelijkheid om te dienen trouw te vervullen.

Zo werden die geroepenen gevormd, die zich later ter beschikking van de Godsgezant moesten houden, wanneer diens uur van vervulling op aarde zou zijn gekomen. Met zorg werden zij voor deze opgaven ontwikkeld en te rechter tijd op aarde geïncarneerd, om klaar te kunnen zijn zodra de oproep hen zou bereiken; hiernaar te luisteren bleef de eerste plicht, die door hen vervuld moest worden.

Intussen werd de nalatenschap van de vermoorde Godszoon, zijn levende Woord, op aarde slechts voor zelfzuchtige doeleinden misbruikt. Het ontbrak de mensen daarbij aan elk begrip van de ware beginselen van Christus. Zij gewenden zich integendeel aan een zo verkeerde, zuiver aardse toegeeflijkheid, dat zij tenslotte al het andere als niet van God komend afwezen, ook thans nog afwijzen en bestrijden wat niet deze door hen gewenste weerzinwekkende wekelijkheid vertoont, wat niet dezelfde, zo ongezonde slaafse verafgoding van de mens bedrijft.

Alles waaraan als grondslag de erkenning ontbreekt dat de mens de hoogste plaats inneemt, wordt eenvoudig als verkeerd en niet behorend tot Gods Woord bestempeld. Achter deze handelwijze verbergt zich echter in werkelijkheid niets anders dan de angstige bezorgdheid dat de innerlijk reeds lang aangevoelde holheid van het verkeerde bouwsel aan het licht zou kunnen komen.

Dat had men van de heilige nalatenschap van de Godszoon gemaakt! Met zulke vernederende veronderstellingen gaf men zijn duidelijke woorden al te menselijk uitgelegd door. Door de menselijke zwakheden te strelen werden aanhangers geworven, totdat men enige aardse macht kon ontplooien, wat steeds het uiteindelijke doel bleef. Daarna echter bleek al spoedig door beestachtige gruwelen hoe ver de dragers van het miskende Christusbeginsel ervan verwijderd waren dit werkelijk te begrijpen, hoe weinig zij ernaar leefden.

Voortdurend en steeds duidelijker werd het bewijs geleverd, dat juist diegenen die beweerden de dragers van het Christusbeginsel te zijn, de ergste vijanden en de grootste schenders van het werkelijke Christusbeginsel waren, schaamteloos en onvergeeflijk! De gehele geschiedenis na Christus' verblijf op aarde toont, vanaf het ontstaan van de kerken, deze feiten met onuitwisbaar ingegrifte en ingebrande runen zo duidelijk, dat ze nooit aangevochten of verzwakt kunnen worden. Het schandteken van de bewuste huichelarij werd door de lange lijst van moorden op enkelingen en massamoorden onder het misdadig aanroepen van God openlijk opgericht en daar wordt ook nu nog op vele plaatsen aan verder gebouwd, alleen in veranderde, aan de tegenwoordige tijd aangepaste vormen.

Zo werd het duister dankzij de bereidwilligheid van alle mensengeesten steeds zwarter, naarmate de tijd naderbij kwam dat de Mensenzoon op aarde moest worden geïncarneerd. Vreugdevolle beweging in de elementen kondigde de aardse geboorte aan. Engelen geleidden hem liefdevol omlaag naar deze aarde. Oergeschapenen vormden een ondoordringbare muur om hem en om zijn aardse kinderjaren. Zonnig mocht zijn jeugd op aarde zijn. Als een groet van God de Vader zag hij 's avonds de Komeet stralend boven zich, die hij als iets vanzelfsprekends, als tot de sterren behorend beschouwde, totdat hem de blinddoek voor de ogen werd gelegd die hij tijdens zijn bittere leertijd op aarde moest dragen. Vreemd scheen het daarna om hem heen te zijn, maar zijn ziel werd vervuld door een hoog, niet te stillen verlangen dat aangroeide tot rusteloosheid, tot een onafgebroken koortsachtig zoeken. Het kon door niets wat de aarde bood worden gestild.

Met de fijnstoffelijke blinddoek voor de ogen stond hij nu op vijandelijk gebied tegenover het duister, in een strijdperk waar al het duister vastere voet kon krijgen dan hij zelf. Daarom was het natuurlijk dat hij overal, waar hij probeerde iets te ondernemen, geen weerklank kon vinden en geen succes had, maar dat alleen het duister steeds vijandig de kop opstak.

Zolang de tijd van de vervulling voor hem niet was gekomen kon het duister steeds de sterkere blijven en hem aards daar schade toebrengen, waar hij op de een of andere manier aards werkzaam was; want al het aardse moest natuurlijkerwijze alleen maar vijandig tegenover de Godsgezant staan, omdat al het menselijke willen zich thans tegen de ware goddelijke Wil heeft gericht - ondanks een vermeend zoeken naar de Waarheid waarachter zich altijd enkel eigendunk verbergt in velerlei vorm. Gemakkelijk vond het duister overal bereidwillige schepsels om de Lichtgezant tegen te werken, hem gevoelig en pijnlijk te verwonden. Zo werd zijn leertijd op aarde tot de lijdensweg.

Zoals het geestelijke met grote kracht ogenschijnlijk als een magneet aantrekkend en vasthoudend werkt op het 'wesenhafte', fijnstoffelijke en grofstoffelijke, op dezelfde en nog veel sterkere wijze moet datgene wat zijn oorsprong boven het geestelijke in de naschepping heeft op alles wat zich daaronder bevindt inwerken. Als een natuurlijk gebeuren, dat niet anders mogelijk is. Het lijkt in zijn uitwerking alleen maar op aantrekkingskracht. Aantrekkingskracht in de bekende betekenis heeft echter alleen het gelijkgeaarde over en weer. In dit geval gaat het echter om de bestaande macht van het sterkere in de zuiver zakelijke, edelste betekenis. Niet aards-menselijk gedacht, want in het grofstoffelijke is deze wet door toedoen van de mensen net als al het andere in zijn uitwerking verruwd. De natuurlijke uitwerking van deze heersende macht vertoont zich in zijn uiterlijke vorm als een soort magnetisch aantrekken, samenvoegen, bijeenhouden, beheersen.

Als gevolg van deze wet voelden zich nu ook de mensen tot deze omhulde, sterkere vreemdeling uit de hoogste hoogte als door een magneet aangetrokken, zij het ook dikwijls vijandig weerstrevend. De dichte omhulsels die hij om zich heen droeg konden het doordringen van deze op aarde ongewone kracht niet geheel tegenhouden, terwijl deze toch ook nog niet vrij kon uitstralen om die onweerstaanbare macht uit te oefenen, die deze na het afvallen van de omgelegde omhulsels op het uur der vervulling heeft. Dat veroorzaakte verdeeldheid in het aanvoelen van de mensen. Het zijn van de vreemdeling alleen al wekte, wanneer zij hem ontmoetten, reeds de meest uiteenlopende hoopvolle gedachten bij hen op, die zich helaas door hun instelling altijd slechts tot aardse wensen verdichtten die zij in zich koesterden en opvoerden.

De vreemdeling echter kon op dergelijke wensen nooit acht slaan, daar zijn uur nog niet gekomen was. Daardoor zagen velen zich door hun eigen verbeelding dikwijls hevig teleurgesteld, voelden zich merkwaardigerwijs zelfs bedrogen. Zij bedachten nooit, dat het in werkelijkheid alleen maar hun eigen zelfzuchtige verwachtingen waren geweest die niet in vervulling gingen, en in hun teleurgestelde verontwaardiging wentelden zij de verantwoordelijkheid daarvoor op de vreemdeling. Deze riep hen echter niet, maar zij drongen zich aan hem op en klampten zich aan hem vast, als gevolg van deze hun onbekende wet, en dikwijls werden ze voor hem een zware last die hij met zich meedroeg gedurende die jaren op aarde, die voor zijn leertijd waren bestemd.

De aardemensen voelden bij hem iets geheimzinnigs, onbekends aan dat zij niet konden verklaren; zij vermoedden een verborgen macht die zij niet begrepen en dachten daarom in hun onwetendheid tenslotte natuurlijk dat het alleen maar opzettelijke suggestie, hypnose en magie was, al naar de aard van hun gebrek aan begrip, terwijl er van dit alles geen sprake was. De oorspronkelijke genegenheid, het bewustzijn op ongewone wijze door hem te worden aangetrokken veranderde dan zeer dikwijls in haat, die zich uitleefde in morele steenworpen en pogingen tot bezoedeling tegen degene van wie zij te vroeg veel hadden verwacht.

Niemand nam de moeite zich aan een onbevooroordeeld zelfonderzoek te onderwerpen, waarbij zou zijn gebleken dat de met andere opvattingen en idealen op zichzelf levende vreemdeling degene was die door de zich aan hem opdringende mensen werd uitgebuit, en niet dat hij zelf iemand had uitgebuit zoals de zich opdringende mensen in hun bitterheid over niet vervulde wensen aangaande een gemakkelijk leven zichzelf en anderen trachtten wijs te maken. Blind vergold men betoonde vriendelijkheid met onzinnige haat en vijandschap, zoals Judas deed.

Maar de vreemdeling op de aarde moest alles over zich heen laten gaan, het was immers slechts een volkomen natuurlijk gevolg van zijn bestaan zolang de mensheid in dwaling leefde. Alleen daaraan kon hij, aan wie door zijn geaardheid elk verkeerd handelen en denken volkomen vreemd was, leren inzien waartoe de aardemensen door hun geaardheid in staat waren. Deze ervaring bracht echter tegelijkertijd ook de voor hem noodzakelijke harding, die zich langzamerhand als een pantser om zijn anders altijd aanwezige hulpvaardigheid legde en zo een kloof deed ontstaan tussen deze hulpvaardigheid en de mensheid... door de zielewonden die een scheiding veroorzaakten en die alleen door de volledige verandering van de mensheid weer kunnen genezen. Deze hem toegebrachte wonden vormden vanaf dit ogenblik de kloof, die alleen die mens kan overbruggen, die geheel de weg van Gods wetten volgt. Alleen deze weg kan als brug dienen. Ieder ander moet in de kloof te pletter vallen, want er is geen andere weg om er overheen te komen. En ervóór blijven staan brengt vernietiging.

Te rechter tijd vond reeds voor het einde van deze zware leertijd de ontmoeting plaats met die levensgezellin, die als een deel van hem samen met hem door het aardse leven moest gaan om volgens goddelijke beschikking mee te werken aan de grote opgave. Zij, zelf een vreemdelinge op de aarde, volgde erkennend wie zij zelf was vol vreugde de goddelijke Wil, om dankbaar daarin op te gaan.

Toen pas kwam de tijd voor de geroepenen die God vroeger hun gelofte hadden gegeven  om trouw te dienen! De inwilliging van hun verzoek was met zorg bewerkstelligd. Op de juiste tijd vond incarnatie op de aarde plaats. Onder trouwe leiding werden zij aards toegerust, elk voor hun speciale taak, met alles wat zij voor het vervullen daarvan nodig hadden. Het werd naar hen toe geleid, hun geschonken, zo opvallend dat zij het beslist niet anders dan als een geschenk konden beschouwen, als een leen voor het uur der vervulling van hun vroegere belofte.

Precies op tijd kwamen zij met de gezondene in aanraking, door zijn Woord, later ook persoonlijk... doch velen van hen hadden wel een vermoeden van de oproep, voelden iets ongewoons in hun ziel aan, maar hadden zich gedurende de tijd dat zij op aarde verbleven intussen zo door zuiver aardse dingen en deels zelfs door het duister laten verstrikken, dat zij niet de kracht konden opbrengen om zichzelf te overwinnen en tot het ware dienen te komen, ter wille waarvan zij voor deze grote tijd naar de aarde hadden mogen komen.

Enkelen van hen toonden wel de zwakke wil om te vervullen, maar hun aardse gebreken hielden hen daarvan terug. Er waren er helaas ook die wel de weg van hun bestemming betraden, maar die daarbij van het begin af aan in de eerste plaats voor zichzelf aards voordeel zochten. Zelfs van degenen die ernstig wilden verwachtten verschillenden dat hij, die zij moesten dienen, voor hén de weg naar de vervulling moest effenen in plaats van omgekeerd.

Slechts weinigen, enkelingen, bleken werkelijk zo te zijn dat zij in staat waren naar hun opdracht toe te groeien. Aan hen werd in het uur der vervulling tienvoudig kracht gegeven, zodat de leemten niet meer werden gevoeld en zij door hun trouw zelfs meer tot stand konden brengen dan de grote schare ooit zou hebben gekund.

Met droefheid zag de vreemdeling op de aarde de verwoestingen onder de schare der geroepenen. Dat was een van de bitterste ervaringen voor hem! Hoe veel hij ook geleerd had, hoe veel hij door toedoen van de mensen zelf ook te lijden had... tegenover dit laatste feit stond hij zonder begrip, want hij vond voor dit falen geen enkele verontschuldiging. Volgens zijn opvatting kon een geroepene, die bij de inwilliging van zijn verzoek extra geleid en geïncarneerd werd, immers niet anders doen dan zijn taak in vreugdevolle vervulling trouw volbrengen! Waarvoor was hij anders op de aarde! Waarom werd hij trouw beschermd tot aan het uur waarop de Gezondene hem nodig had! Alles werd hem slechts geschonken ter wille van zijn noodzakelijke dienen.

Zo kwam het dat de vreemdeling, toen hij de eersten van de geroepenen ontmoette, deze volkomen vertrouwde. Hij beschouwde hen uitsluitend als vrienden, die absoluut niet anders konden denken, aanvoelen en handelen dan met de onwankelbaarste trouw. Het ging toch om het hoogste, het heerlijkste dat een mens kon wedervaren. Hij dacht geen ogenblik aan de mogelijkheid dat ook geroepenen in hun tijd van wachten onrein geworden konden zijn. Voor hem was het onbegrijpelijk dat een mens bij zo’n genade in staat was om misdadig in het eigenlijke doel van zijn aardse bestaan te kort te schieten en zijn tijd te verknoeien. Zij kwamen hem met de hun aanklevende gebreken slechts heel hulpbehoevend voor... Daarom trof hem het verschrikkelijke van de ontdekking des te harder, toen hij moest ervaren dat de mensengeest ook in zulke bijzondere gevallen niet betrouwbaar is en zich ook bij de trouwste geestelijke leiding de hoogste genade onwaardig toont! Diep geschokt zag hij de mensheid plotseling vóór zich in haar onbeschrijfelijke minderwaardigheid en verworpenheid. Zij vervulde hem met afschuw.

Steeds zwaarder werd de aarde door de nood getroffen. Steeds duidelijker bleek de onhoudbaarheid van de verkeerde opbouw van alles wat de mensen tot dusver deden. Nog duidelijker trad het bewijs van hun onvermogen aan den dag. Alles begon bij de toenemende verwarring langzaam te wankelen, slechts één ding niet: de menselijke verwaandheid zelf tot alles in staat te zijn. Juist deze tierde weliger dan ooit, wat ook natuurlijk was, omdat eigenwaan steeds als grondslag de beperktheid nodig heeft. Toenemende beperktheid moet dan ook een welig woekeren van de eigenwaan ten gevolge hebben.

De zucht om zich te doen gelden nam toe tot een koortsachtige verkramping. Hoe minder de mens te geven had, hoe meer de ziel in hem, die het omlaag zinken maar al te goed voorvoelde, angstig om bevrijding riep, des te nadrukkelijker zocht hij in een verkeerde behoefte aan compensatie de uiterlijke aardse tooi, menselijke onderscheidingen. Hoewel de mensen ook dikwijls in stille uren uiteindelijk aan zichzelf gingen twijfelen, wilden zij om die reden alleen maar des te ijveriger tenminste nog als wetend gelden. Tot elke prijs!

Zo ging het razend snel omlaag. In het beangstigende besef van de op handen zijnde ineenstorting trachtte tenslotte iedereen zichzelf te verdoven, al naar zijn aard, en liet het ongehoorde gaan zoals het ging. Men sloot de ogen voor de dreigende verantwoording. ‘Wijze’ mensen daarentegen verkondigden dat de tijd van de komst van een sterke helper uit de nood aangebroken was. De meesten van hen wilden deze helper echter in zichzelf zien of dachten - als zij bescheiden waren - hem toch tenminste in hun eigen kring te vinden.

‘Gelovigen’ baden tot God om hulp uit de verwarring. Maar het bleek dat deze aardemensjes reeds bij hun bede, in de verwachting dat deze zou worden vervuld, God innerlijk voorwaarden trachtten te stellen door zich deze helper zo te wensen, dat hij aan hun opvattingen beantwoordde. Zo ver gaan de vruchten van de aardse beperktheid. De mensen kunnen geloven dat het voor een Godsgezant nodig is om zich met aardse sier te tooien! Verwachten dat hij zich naar hun zo beperkte aardse meningen moet richten om door hen daardoor erkend te worden, om daarmee hun geloof, hun vertrouwen te verwerven. Wat een ongehoorde eigendunk, wat een aanmatiging is alleen al in dit feit gelegen! De eigendunk zal in het uur der vervulling geheel verpletterd worden, samen met al diegenen die in de geest een dergelijke waan huldigden.

Toen riep de Heer tot zijn dienaar, die als vreemdeling zijn weg op aarde ging, dat hij moest spreken, de Boodschap brengen aan allen die daarnaar dorstten! En ziet, het weten der ‘wijzen’ was onjuist, de gebeden der gelovigen onecht; want zij stelden zich niet open voor de stem die uit de Waarheid kwam en daarom ook alleen daar kon worden erkend waar de druppel waarheid in de mens niet was bedolven door aardse fouten, door de macht van het verstand en door al die dingen die in staat zijn de mensengeest van de juiste weg af te duwen en ten val te brengen. Alleen daar kon hij weerklank wekken waar de bede uit een werkelijk deemoedige, eerlijke ziel kwam. De oproep ging uit. Waar hij kwam bracht hij onrust, verdeeldheid. Maar op de plaatsen waar hij ernstig werd verwacht, vrede en gelukzaligheid.

Het duister kwam in onrustige beweging en pakte zich nog dichter, zwaarder, zwarter om de aarde samen. Vijandig stak het reeds hier en daar de kop op en siste vol haat in de rijen van hen, die de oproep wilden volgen. Steeds nauwer echter cirkelde het om die geroepenen heen, die door hun falen moesten wegzinken in de duisternis die zij vrijwillig de hand hadden gereikt. Hun vroegere gelofte verbond hen geestelijk nauw met de Gezondene, trok hen naar hem toe in het uur van de naderende vervulling, terwijl hun fouten daarentegen belemmerend werkten en hen van hem afstootten, omdat daardoor geen verbinding met het Licht mogelijk was.

Daaruit kon nu wederom alleen maar een brug voor de haat ontstaan, voor al de haat van het duister tegen al het Licht. En zo maakten zij de lijdensweg van de Lichtgezant zwaarder, tot een Golgotha, en het grootste gedeelte van de mensheid sloot zich maar al te gaarne bij hen aan om deze weg nog moeilijker te maken; in het bijzonder diegenen die meenden zelf de weg van het Licht reeds te kennen en te gaan, zoals destijds de farizeeërs en de schriftgeleerden.

Dit alles deed een toestand ontstaan waarin de mensheid andermaal kon bewijzen dat zij nu weer precies hetzelfde zou doen als wat zij destijds al aan de Godszoon had misdaan. Ditmaal alleen in een moderne vorm, de kruisiging symbolisch door een poging tot morele moord - die volgens de wetten van God echter niet minder strafhaar is dan een lichamelijke moord.

Het was de vervulling na de laatste, lichtzinnig verzuimde mogelijkheid van genade. Verraders, valse getuigen en lasteraars kwamen uit de schare der geroepenen. Steeds meer gespuis van het duister waagde zich naderbij omdat het zich veilig waande, daar de vreemdeling op aarde in de vervulling tegenover iedere bezoedeling zweeg zoals hem bevolen was, en zoals ook destijds de Godszoon niet anders deed tegenover de joelende massa die hem als misdadiger aan het kruis geslagen wilde zien.

Maar toen de trouweloze afvalligen in hun blinde haat reeds meenden dat de overwinning in zicht was en het duister wederom het werk van het Licht voor vernietigd hield, omdat het hoopte de drager van dit werk op aarde volkomen onmogelijk te hebben gemaakt, toen openbaarde God ditmaal met Almacht Zijn Wil! En toen... bevend zonken ook de spotters op de knieën, maar... het was voor hen te laat!


Bovenstaande tekst is te vinden als hoofdstuk 32 in 'In het licht der Waarheid - Graalsboodschap' (deel I) van Abd Ru Shin.
Zijn werk wordt in Nederland uitgegeven door de 'Stichting Graalsbeweging in Nederland' te Hilversum.


Terug naar startpaginaTerug