Phanuel  Phanuel  Phanuel  Phanuel  Phanuel Phanuel  Phanuel 

Phanuel


Wie of wat is Phanuel?

 

Als Jakob na jaren op het punt staat zijn broer Esau weer onder ogen te komen, heeft hij de nacht voor de ontmoeting een 'gevecht met een engel'. Geen van beiden is in staat de strijd te winnen, en de ochtend breekt aan. Dan wordt de strijd op een wonderlijke manier opgelost: de engel wil dat Jakob hem laat gaan, maar deze zegt (en hier vervolgt de Luthervertaling 1912, Gen. 32: 26-31): 'Ik laat u niet los, tenzij gij mij zegent'. En de engel sprak: 'Hoe heet gij?' Hij antwoordde: 'Jakob'. En hij sprak: 'Gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël; want gij hebt met God en met mensen gestreden, en hebt de overhand behouden. En Jakob vraagde hem en sprak: 'Zeg mij toch, hoe heet gij?' En hij sprak: 'Waarom vraagt gij hoe ik heet?' En hij zegende hem aldaar. En Jakob noemde die plaats Pniël; want, zo zeide hij: 'Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is genezen'. En toen hij door Pniël kwam, ging de zon voor hem op.

'Pniël' is de vernederlandse vorm van het Hebreeuwse 'Penoe-eel', dat vergriekst weer 'Phanuel' luidt. Jakob meende volgens deze overlevering dat hij een rechtstreekse confrontatie met God had overleefd, sterker nog: dat 'zijn ziel was genezen'. Maar drukte hij dat uit in gewone Hebreeuwse woorden, ongeveer zoals veel natuurvolken doen: 'berg van licht' of 'plaats des onheils' bijvoorbeeld? Zeker niet. Hij zal zonder enige twijfel de aard van de ontmoeting, de innerlijke, geestelijke betekenis ervan hebben willen beschrijven. Hij behoorde immers tot degenen die in één God geloofden en bovendien thuis waren in het samenspel van kosmische en geestelijke krachten en bewustzijnsniveaus, die wij later 'engelen' zijn gaan noemen.

Phanuel was zo'n in de Joodse traditie van toen bekende hoge engel, een aartsengel die volgens het boek Henoch 'bij de Heer der geesten verkeert'. In hoofdstuk 40 staat daar als onderdeel van een visioen van Henoch: 'En daarna zag ik duizendmaal duizenden en tienduizend maal tienduizenden, ik zag een ontelbare en niet te schatten schare, die voor de Heer der geesten stond. En aan de vierzijden van de Heer der geesten zag ik vier wezens, verschillend van die welke daar stonden, en hun namen kwam ik te weten toen de engel, die tot mij kwam, mij hun namen vertelde en mij alle verborgen dingen toonde. En ik hoorde de stemmen van de vier wezens, toen zij lofzongen voor de Heer der heerlijkheid. De eerste stem hoorde ik de Uitverkorene prijzen en de uitverkorenen, die met de Heer der geesten verbonden zijn. En de derde stem hoorde ik vragen en bidden voor hen die op de aarde wonen, en smekingen opzenden in de naam van de Heer der geesten. En ik hoorde hoe de vierde stem de tegenstander (satan) afweerde, en hem niet toestond voor de Heer der geesten te komen om hen, die op de aarde wonen, aan te klagen. Toen vroeg ik de engel van de vrede, die met mij ging, en die mij alles wat verborgen is toonde, en sprak tot hem: 'Wie zijn die vier wezens die ik heb gezien en waarvan ik de stem heb gehoord en heb opgeschreven?' En hij sprak tot mij: 'De eerste is Michaël, de barmhartige en lankmoedige; en de tweede, die over alle ziekten en over alle wonden van de mensenkinderen is gesteld, is Raphaël; en de derde, die over alle krachten is gesteld, is Gabriël; en de vierde, die over de boete en de hoop is gesteld van hen, die het eeuwige leven beërven, is Phanuel'. En dit zijn de vier engelen van de hoogste God en in die dagen heb ik de vier stemmen gehoord'.

Phanuel, die 'over de boete en de hoop is gesteld van hen, die het eeuwige leven beërven'. Dat is precies waar het op aankomt bij een 'gevecht met God': enerzijds de 'boete', de moeite en strijd van ons menselijke bestaan, de afgescheidenheid van ons werkelijke geestelijke bewustzijn,en anderzijds de 'hoop', het uitzicht op verlossing, op groei, het verlangen naar 'hemelse' vrede en eenheid, de innerlijke 'herinnering' daaraan.

Voor deze situatie, waarin een mens worstelt met de tweeslachtigheid van ons menselijke bestaan, is in feite maar één oplossing om verder te kunnen: het toelaten van een bepaald soort levensmoed, putten uit de innerlijke bron, de vlam van levenskracht. Phanuel duidt dan ook niet zozeer op een 'engel' of een 'persoon', maar veeleer op een staat van bewustzijn, een geestelijk levensniveau waarbij ik als mens 'oog in oog', rechtstreeks in contact sta met God : de goddelijke levenskracht van binnen ervarend en daar in mijn uiterlijke menselijke bestaan uitdrukking aan gevend. Daarmee is Phanuel dan ook 'gesteld over boete en hoop', d.w.z. dat hij een bewustzijn weerspiegelt dat boven deze zeer menselijke belevingen uitgaat en, omdat het geestelijk wijder, meer omvattend is, er ook over 'heersen' kan.

Dit is het bewustzijn dat in christelijke kringen nogal eens met 'wedergeboorte' wordt aangeduid. Het is de innerlijke integriteit, het geestelijke zelfbewustzijn dat mij tot werkelijk 'mens' maakt - een mens 'naar Gods beeld', d.w.z. zoals Hij mij voor ogen had, zoals ik 'bedoeld' ben. Een mens als persoonlijk, geestelijk wezen in een materieel lichaam. In feite is Phanuel dus de mens zoals hij in werkelijkheid bedoeld is: een zoon van God, een gezalfde, een Eeuwige Zon.

Omdat wij op aarde echter niet volledig als geestelijke wezens, niet als 'Eeuwige Zonnen' kunnen leven, blijven we in zo'n geval 'gewone' mensen - behept met alle eigenschappen van dien. Maar wel met een innerlijk levend goddelijk bewustzijn: de 'vlam' van Gods werkelijkheid in ons hart meedragend en uitstralend in deze materieel ingestelde wereld.

Phanuel is in deze wereld dan ook de 'bewaker van de Vlam', die als het ware met de ogen van God de (mede)mens aankijkt.

Terug naar startpaginaTerug